- Over Bushido
- Aanbod
- Locaties
- Lesrooster
- Nieuws
- Contact
Bushido werd in oktober 1972 opgericht door Ad de Jongh toen hij in Geldermalsen een gymzaal kon huren om karatelessen te geven. De naam Bushido bestond toen nog niet, het was een naamloze club die het Shaolin Chual Fa karate van van den Hoofdakker beoefende. In deze Kempostijl behaalde De Jongh in 1977 de 3e Dan. Door gestage groei breidde de club voortdurend uit en ontstonden dependances in Leerdam en Buren. Deze groei noodzaakte tot organisatorische sturing en de Kempo Karatevereniging Bushido met bestuur en regelementen ontstond in mei 1976. In 1980 trad de sportschool toe tot de KBN. Ad de Jongh leidde de sportschool totdat drukke werkzaamheden hem in 1980 tot stoppen dwongen. Hij verzocht de toen 23 jarige Ries van Toorn om de sportschool over te nemen.
Vanaf 1981 werd Ries van Toorn met sportschool Bushido een regelmatige gast op allerlei toernooien. In 1986 leverde hij zijn eerste zwarte banders binnen de KBN af. In 1990 kende Bushido 2 keerpunten. Ten eerste bouwde Ries van Toorn een eigen moderne sportschool, zodat trainen in gymzalen tot het verleden behoorde. Ten tweede werd een overstap gemaakt naar het Okinawa Goju Ryu Karate zoals dat geformuleerd was door Chojun Miyagi. Bushido sloot zich aan bij de I.O.G.K.F. van Morio Higaonna, waar Ries van Toorn in 1993 de derde dan behaalde. Het succes van Bushido komt ondermeer tot uiting in de aanwezigheid op diverse toernooien, een verviervoudiging van het leden aantal van 65 in 1990 tot 280 in 1997 en de benoeming van Ries van Toorn tot (jeugd)bondscoach bij de KBN in 1998. Per februari 2001 heeft hij deze functie weer neergelegd.
Hieronder vindt u een lijst van alle zwarte banders die in het verleden en heden bij Bushido train(d)en:
1e dan |
2e dan |
3e dan |
4e dan |
5e dan |
|---|---|---|---|---|
| Ben de Jongh | Henk van Eck | Deny van Malsen | Daniel van den Berg | Ries van Toorn |
| Helmut Jongh | Wicek Listwan | Rene van Peer | Harold Edelkoort | |
| Mohammed Oumghar | Peter Hoogenhuizen | Tjade Briene | Cornee Visee | |
| Rob de Waal | Corjo Story | Remco van der Kieft | Paul Henzen | |
| John van Est | Hein de Bruin | Niels Versteeg | Daphne Pieterson | |
| Nico Krooswijk | Ineke van Toorn | Onno Goemans | Ad de Jongh | |
| Mark van Hattum | Albert van Manen | Hans Jansen | ||
| Ronny van Poederoyen | Astrid van Zomeren | |||
| Edwin van Koeverden | Nena van Toorn | |||
| Marlies Kramer | Bas Poutsma | |||
| Madhi Loukilli | Freek Maier | |||
| Bianca Refualu | Berry Bambacht | |||
| Robin Refualu | Frank Noordijk | |||
| Osman Ergelen | Manuel van Esch | |||
| Robbie van Toorn | Dieuwertje Visser | |||
| Ilhan Demirel | Natasja van der Kieft | |||
| Hasan Demirel | Sander Gremmen | |||
| Stefan Petersen | Frans Geurtsen | |||
| Igbel Daoubi | ||||
| Bart van Rotterdam | ||||
| Virjanand Panday | ||||
| Sebastiaan van Koeverden | ||||
| Appie Astitou | ||||
| Timothy Petersen | ||||
| Mitchel de Weerd | ||||
| Wendel Broek | ||||
| Sander van Kooten | ||||
| Bas van der Linden | ||||
| Roland Vermaat | ||||
| Lars van Keulen | ||||
| Dylan de Weerd | ||||
| David Blom | ||||
| Melissa van der Kieft | ||||
| Michel Schouten | ||||
| Munevver Aytemur | ||||
| Mark de Bie | ||||
| Btisamme Ben Ammi El Ouahabi | ||||
| Jeremy Koot | ||||
| Thijs van Leeuwen | ||||
| Ian van Koeverden | ||||
| Monica van Doesburg | ||||
| Rudi van Hemert | ||||
| Levi van Esch | ||||
| Mandy Bessling | ||||
| Ivo van Reijen | ||||
| Bart van Leeuwen | ||||
| Kimberly van Velzen | ||||
| Stephan Pieterson | ||||
| Rijk Vink | ||||
| Roy Gremmen |
Chojun Miyagi (1888-1953) is de grondlegger van het Goju-Ryu karate zoals we dat heden ten dage kennen. Hij is eveneens degene geweest die de naam Goju-Ryu aan deze karate-stijl gaf.
Alvorens het over Chojun Miyagi te hebben is het echter historisch correcter eerst over diens leraar KANRYO HIGAONNA (1853-1916) en de cruciale rol welke deze innam in de ontstaansgeschiedenis van het Goju-Ryu te spreken.
Kanryo Higaonna (zie foto) werd op 10 maart 1853 als vierde kind van zijn vader Kanyo Higaonna en diens vrouw Makado, in het distrikt Nishimura, van de havenstad Naha op Okinawa geboren. Het gezin Higaonna telde zeven kinderen. De tweede en de derde broer van Kanryo kwamen jong te overlijden ( de tweede broer reeds op driejarige leeftijd) En de oudste zoon was een erg zwak en ziekelijk kind. Hierdoor kreeg Kanryo als vierde zoon, na zijn vader, de meeste verantwoordelijkheid.
Zijn vader Kanyo bezat als koopman een boot waarmee hij op en neer voer tussen Okinawa en de overige Ryu Kyu eilanden. Met zijn boot vervoerde hij vanuit Naha voedsel, kleding en allerhande gebruiksartikelen welke hij op de eilanden verkocht. Op zijn terugtocht nam hij brandhout en ander materiaal mee hetgeen in Haha zelf verkocht werd. Kanryo werkte vanaf zijn tiende jaar met zijn vader mee. Het zware werk had tot gevolg dat zijn lichaam reeds op jonge leeftijd sterk werd en vooral grote fysieke kracht in armen en benen verkreeg. Omdat de jonge Kanryo op zo'n jonge leeftijd al zoveel verantwoordelijkheid droeg, werd op 8 januari 1867 een ceremonie georganiseerd waarbij zijn haar in een knot werd gedaan ten teken dat hij de volwassenheid bereikt had. Kanryo was toen veertien jaar.
Kort hierna, in 1867 of 1868, kwam Kanryo's vader echter bij een vechtpartij om het leven. Dit liet Kanryo en de overige gezinsleden bedroefd en verbijsterd achter. Kanryo besloot hierop de moord op zijn vader te wreken. In zijn jeugd had hij veel gehoord over de mystieke en dodelijke Chinese vechtkunsten en hij nam zich voor naar China te reizen om aldaar de krijgskunst te leren. Om echter in die tijd toestemming te krijgen om naar China te reizen moest je koopman, student of bestuursambtenaar zijn. Kanryo verborg daarom de ware reden voor zijn vertrek en vertelde zijn familie en vrienden dat hij naar China ging om aldaar te studeren.
Zijn familie gaf toestemming alles. Wat nu nog gebeuren moest was officiele toestemming verkrijgen,welke in die tijd door de koning van Okinawa verleend moest worden. Naha was overigens de enige havenstad op Okinawa van waaruit schepen eventueel toestemming verleend werd op China, d.w.z. de zuidoostelijk gelegen stad Fuzhou, in de provincie Fujian, te varen. Naha was echter de thuishaven van vader Kanyo en Kanryo kende daarom de bestuursambtenaren die geregeld naar China vertrokken goed. Een van hen, Udon Yoshimura (1830-1898) - in het Chinees bekend als Sho Shirie en in het Japans als Chomei Yoshimura - zorgde er voor dat de jonge Kanryo toestemming verkreeg om als student naar China te vertrekken.
Het precieze jaar waarin Kanryo naar China vertrok is niet helemaal zeker, maar het moet ergens tussen 1868 en 1870 geweest zijn, dus op 16- of 17-jarige leeftijd. ook weten we niet precies de exacte maand waarin hij vertrok, maar hoogstwaarschijnlijk is dit in de herfstmaanden, ergens tussen september en november, het geval geweest. Omdat er dan een sterke noordelijke wind staat waarop de schepen naar China zeilden. De boot vertrok slechts eenmaal per jaar naar China waarmee dan ook een ieder die toestemming had verkregen vertrok. De reisduur was doorgaans ruim een week, zo'n 7 a 8 dagen, en men reisde vanuit Naha naar het eiland Kume en via de Taiwanese havensteden naar China. Eenmaal hier aangekomen stapte men over op een stoomboot en voer op de rivier de Min richting Fuzhou alwaar zij vlak voor Fuzhou nogmaals overstapten op een kleine boot waarme ze Fuzhou zelf bereikten. Uiteindelijk kwamen ze dan aan in het zuidelijke gedeelte van Fuzhou alwaar een Okinawa vestiging, de Ryu-Kyu-Kan genaamd, staat. Deze vestiging deed dienst als verblijfplaats voor bestuurders, kooplieden en studenten uit Okinawa die langere tijd aaneen in Fuzhou zouden verblijven. Na enige tijd zou de gouverneur van de Ryu-Kyu-Kan Kanryo bij de befaamde vechtkunstmeester Ryu Ryu Ko thuis introduceren welke laatste de jonge Okinawaan toestemming verleende om tot zijn school toe te treden. In die tijd bestond een formele ceremonie welke een leerling moest uitvoeren alvorens tot de school toegelaten te worden. Kanryo moest een drietal keren wierookstokjes ontbranden bij het altaar in de school en een eed afleggen inhoudende met zijn volledige inzet en overgave te oefenen en een deugdzaam leven te leiden.
Ryu Ryu Ko stond in Fuzhou en omstreken hoog aangeschreven als gevechtskunstleraar. Hij was niet zo jong meer en moet naar schatting zo tussen de 50 en 65 jaar oud geweest zijn. Volgens de overlevering moet hij buitengewoon groot, slank en erg sterk geweest zijn. Zijn familie was van adel, maar verloor haar status tijdens de binnenlandse onrusten. Daarom werkte Ryu Ryu Ko in zijn jongere jaren als metselaar, maar schakelde later over op het werken met bamboe. Zijn huis in Fuzhou lag dichtbij de rivier en de Ryu-Kyu-Kan (De Ryu-Kyu-Kan bestaat nog altijd en is, ofschoon aan de buitenkant vernieuwd, van binnen nog altijd zeer oud). Het huis waarin hij met zijn gezin woonde telde twee verdiepingen en op de benedenplaats was zijn werkvloer. Na hevige regenval trad de rivier nog wel eens buiten haar oevers en drong het water tot op de werkvloer naar binnen.
Kanryo werkte erg hard, verzorgde de tuin, hield het huis schoon en reisde elke dag op en neer tussen de Ryu-Kyu-Kan en het huis van meester Ryu Ryu Ko. Deze hield zijn jonge leerling nauwlettend in de gaten en zag dat diens karakter vriendelijk en rustig was, maar dat hij eveneens over een grote wilskracht en motivatie beschikte. Tevreden over het karakter van Kanryo begon meester Ryu Ryu Ko hem in de gevechtskunst te onderrichten.
Aanvankelijk kreeg Kanryo alleen les in de kata Sanchin. De trainingen waren zwaar en Kanryo was verbaasd over de kracht en de kennis van meester Ryu Ryu Ko. Kanryo was een erg toegewijde leerling en daarom gaf meester Ryu Ryu Ko hem ook goed les.
Het duurde niet lang of Kanryo werd uchi-deshi, inwonende leerling van meester Ryu Ryu Ko. Dit tot groot genoegen van Kanryo want deze hoefde niet langer naar de Ryu-Kyu-Kan op en neer te lopen en te verblijven, maar verbleef van nu af aan op de benedenvloer van het huis van meester Ryu Ryu Ko. Overdag hielp Kanryo meester Ryu Ryu Ko met diens bamboebezigheden en al het andere werk wat gedaan moest worden. Maar 's avonds trainde hij onder toezicht van meester Ryu Ryu Ko in diens tuin waar de training altijd plaats vond. De stad Fuzhou is in een vallei gelegen omringd door bergen en daarom is er geen tekort aan water in deze streek.
Echter vooral in de wintermaanden was het erg koud en de bamboevloer waarop Kanryo sliep bood slechts weinig bescherming tegen de bittere koude. Vanwege die kou werd Kanryo elke ochtend om vijf uur wakker en begon dan te oefenen om de kou te verjagen. Ongeacht de weersomtandigheden stond hij elke ochtend zo vroeg op en soms keek zijn leraar vanaf de bovenverdieping toe naar de vorderingen die Kanryo maakte.
Kanryo die getuige was geweest van de grote kracht en kunde van meester Ryu Ryu Ko, werd hierdoor bij zijn eigen training geïnspireerd en gemotiveerd. Hij oefende harder en harder om zijn leraar tevreden te kunnen stellen. Meester Ryu Ryu Ko zag de gretigheid en buitengewone toewijding van Kanryo en hij herkende diens buitengewone talent voor de gevechtskunst. Dit op zijn beurt, zorgde ervoor dat meester Ryu Ryu Ko eveneens net zo enthousiast was om Kanryo te onderrichten als Kanryo van zijn leraar wilde leren. Iedere dag oefenden zij telkens opnieuw kata Sanchin. Kanryo oefende ook met speciale aanvullende trainingsapparatuur als de Nigirigamae (grijpkruiken), Chi-ishi (stenen handgreepgewichten), Ishi-sashi (stenen hangsloten), Tan ('barbells') en een soort Makiwara (stootpaal), verschillend van de Makiwara welke traditioneel op Okinawa in gebruik was.
Door intensieve oefening hiermee kregen Kanryo's armen en benen overal blauwe plekken toch stopte hij niet en ging door met trainen totdat zijn ledematen bont en blauw en flink gezwollen waren. Kanryo Higaonna beschikte over een groot natuurlijk talent en mede daardoor en vanwege de toegewijde instructie van zijn leraar ging hij snel vooruit. Sanchin-training was buitengewoon zwaar en veeleisend, maar omdat hij zo ijverig was, was hij in staat om ondanks de strenge eisen die aan hem gesteld werden, door te gaan. Meester Chojun Miyagi moet gezegd hebben dat de training van zijn leraar buitengewoon zwaar was, zelfs zo zwaar dat het feitelijk voor de gemiddelde persoon onmogelijk is om de intensiteit en zwaarte welke zijn training met zich mee bracht zelfs ook maar voor te stellen.
Meester Ryu Ryu Ko was tijdens zijn leven al erg beroemd. Als jonge man had hij in een tempel hoog in de bergen getraind bij zijn leraar die in dienst was bij het hof van de koning. Tijdens een bezoek aan China heeft Chojun Miyagi deze tempel nog bezocht. Op een van de binnenplaatsen bevond zich oefenmateriaal en er waren duidelijke voetsporen zichtbaar van alle training die daar had plaatsgevonden.
Vanwege Ryu Ryu Ko's reputatie in die streek was het niet ongebruikelijk dat jonge gevechtskunstbeoefenaren hun eigen kunnen bij hem op de proef wilden stellen. Bij een van deze gelegenheden bezocht een jongere man de werkplaats van Ryu Ryu Ko. Kanryo wist niet wat hij hiervan verwachten moest en nam de jonge man aandachtig in zich op. De vreemdeling bukte zich en raapte een stuk bamboe op dat op de vloer lag. Tot Kanryo's grote verbazing slaagde de vreemdeling erin het bamboestuk met zijn blote handen samen te drukken. Meester Ryu Ryu Ko, ervaren in dergelijke gebeurtenissen, keek kalm toe. Hij pakte vervolgens rustig zelf een stuk bamboe dat nabij lag, en terwijl hij dit in een vertikale positie hield, greep hij het met beide handen vast en scheurde het in tweeën. Dit liet zowel Kanryo als de vreemdeling ontzet achter. De laatste boog beleefd en verliet de werkplaats rustig.
Na getuige te zijn geweest van dit ongelooflijk gebeuren werd de jonge Kanryo zelfs nog meer gemotiveerder bij zijn training. Hij trainde met dezelfde overgave als voorheen en oefende hierbij zorgvuldig met alle verschillende trainingsmaterialen. Zijn gehele lichaam zou aanvankelijk pijn doen, maar elke dag probeerde Kanryo nog harder te trainen. Een trainingsonderdeel waar hij erg van hield vond plaats in een grote ronde mand, waar je net met z'n tweeën in kon bewegen. Twee leerlingen, met ontbloot bovenlijf, klommen hierin en oefenden dan in werp- en grondtechnieken. Zij rolden over elkaar heen en probeerden elkaar met worsteltechnieken te overwinnen. Het leerproces van Kanryo beperkte zich dus niet tot enkel open-hand, vuist- en beentechnieken. Bovendien leerde hij ook het gebruik van verschillende wapens met name het lange en korte zwaard, de bo en de sai. Om zijn opleiding in de Chinese gevechtskunsten te voltooien kreeg hij eveneens les in de Chinese kruidenleer. Vanwege zijn dagelijkse intensieve training en zijn enorme toewijding werden zijn spieren zo hard als staal. Door zijn natuurlijke aanleg ging hij erg snel vooruit en werd na een paar jaar de beste leerling van meester Ryu Ryu Ko.
Tussen de elf en dertien jaar trainde en verbleef Kanryo te Fuzhou. Na al deze jaren van toegewijde training onder toeziend oog van zijn leraar kwam het ogenblik waarop Ryu Ryu Ko, inmiddels een oud man, Kanryo opdroeg naar huis, naar Okinawa terug te gaan. Hij gaf zijn leerling de boodschap mee goed op te passen en ervoor te zorgen goed gezond te blijven. Kanryo verliet Fuzhou in 1881 om terug te gaan naar Okinawa na zijn leraar zijn diepgemeende waardering voor de lange jaren van instructie en leiding getoond te hebben. Bij zijn aankomst op Okinawa in 1881 vestigde Kanryo zich in het district Nishimura te Naha.
Deze periode in de Okinawaanse geschiedenis was er een van politieke onrust. Er waren verschillende geschillen tussen China, Japan en Okinawa, waardoor het leven in deze tijd moeilijk en problematisch was. Werk was schaars en Kanryo keerde terug naar dat wat hij het beste kende om zichzelf te kunnen onderhouden. Sinds zijn tiende jaar had hij op zijn vaders boot gewerkt die handeldreef met de kleine eilanden van Ryu Kyu's. Dit werk pakte hij weer op. Hij voer tussen de eilanden op en neer en kocht en verkocht goederen. Op een van deze kleine eilandjes waarop hij regelmatig voer, ontmoette hij later zijn toekomstige vrouw. Op z'n minst twee keer raakte hij tijdens zijn reizen tussen de eilanden door storm volledig van zijn koers. Hij dreef dagenlang rond en slechts vanwege zijn ervarenheid als zeeman vond hij zijn weg weer veilig naar huis.
Vanwege zijn uitmuntendheid in de vechtkunsten werd Kanryo bekend in Fuzhou; vele Okinawanen die Fuzhou bezochten vanwege studie of handel, vertelden bij hun terugkomst op Okinawa verhalen over een groots Okinawaans vechtkunstenaar waarover ze in Fuzhou gehoord hadden. Het duurde niet lang voordat Kanryo's faam overal bekend werd in Naha zelf. Tegen de tijd van zijn vertrek uit Fuzhou was Kanryo de topleerling van Ryu Ryu Ko geworden en daarom zijn opvolger. Dit werd bekend in Naha en al gauw probeerden geestdriftige jonge Okinawanen hem middels afspraken te smeken om hen te onderrichten. In het begin was zijn antwoord altijd een regelrechte wijgering. Echter, toen de tijd voortschreed en de mensen hem bleven smeken om les te geven, gaf hij uiteindelijk toe en begon een klein groepje uitgezochte leerlingen bij hem thuis te onderrichten.
Zijn onderricht was zwaar, hij onderwees alleen de Sanchin kata. Keer op keer, dag in dag uit, onderwees hij Sanchin kata. Volgens mensen die regelmatig Kanryo's huis bezochten ging het er altijd hetzelfde aan toe; ze zagen studenten ontbloot tot aan het middel en hoorden de weer van de venijnige slagen van shime training.
Kanryo's reputatie verspreidde zich geleidelijk aan en binnen afzienbare tijd was hij bekend in Shuri, de zetel van het koninklijk hof. De vierde zoon van Udon Yoshimura, de hofambtenaar die Kanryo jaren geleden geholpen had naar China te gaan, begon bij Kanryo les te nemen. Zijn verhalen over de uitmuntendheid van Kanryo bereikte zelfs de koning van Okinawa. Het duurde niet lang voordat kanryo door de koning werd uitgenodigd om zijn persoonlijke leraar in de vechtkunsten te worden.
In 1905 - het 38ste regeringsjaar van de Meiji - begon meester Kanryo les te geven op o.a. de Naha Commercial School. Hij was hiervoor gevraagd door het hoofd van die school en hij begon daar twee keer per week les te geven. Dit was een belangrijke gebeurtenis in de ontwikkeling van de vechtkunsten.
Tot op dit moment had meester Kanryo de pure vechtkunsten die hij in China had geleerd, onderwezen. Sanchin kata werd uitgevoerd met open-hand technieken en applicaties hiervan waren speciaal gericht op zelfverdediging. Met andere woorden op het doden van een aanvaller. Het schoolhoofd echter wilde eerst en bovenal dat zijn leerlingen onderwezen werden in de geestelijke en morele aspekten van de vechtkunsten; samengaand hiermee de ontwikkeling van een sterk en gezond lichaam. Om dit te bewerkstelligen begon meester Kanryo na veel onderzoek de Sanchin kata met een gesloten vuist in plaats van met een open-hand te onderwijzen. Hij verlangzaamde de ademhaling om de ontwikkeling van fysieke kracht en de balans tussen lichaam en geest te benadrukken. Deze herziene ademhalingsmethode was primair bedoeld om de gezondheid te bevorderen in plaats van het ontwikkelen van dodelijke technieken.
Ondanks deze veranderingen ten behoeve van de leerlingen aan de Naha Commercial School, bleef Kanryo de oorspronkelijke methode die hij in China geleerd had, onderwijzen aan een select groepje leerlingen bij hem thuis. Hij drilde de jonge Chojun Miyagi en de andere leerlingen in de snelle explosieve ademhalingsmethoden van de Sanchin kata met open-hand. Seibun Nakamoto Sensei, die afstudeerde aan de Naha Commercial School in 1913, verhaalde over de zware training die hij bij meester Kanryo onderging. Hij zei dat de training een serieuze aangelegenheid was en dat als een leerling een fout maakte hij allerwaarschijnlijkst een klap in het gezicht kreeg. De leeftijd van de leerlingen op deze school liep uiteen van 16 tot 20 jaar.
Zoals reeds gezegd werd, werd de gesloten vuist geïntroduceerd door meester Kanryo om de ontwikkeling van fysieke kracht in plaats van de vaardigheid tot doden te benadrukken. Een ander belangrijk element bij deze introductie was traditie,voor de Okinawanen voelt een gesloten vuist natuurlijker aan. Meester Kanryo herinnerde zich als jonge jongen vaak jongelingen gezien te hebben die met gesloten vuisten stonden tijdens gevechten terwijl ze geen ervaring hadden met karate training. Daarom speelde traditie ook een belangrijke rol volgens meester Kanryo's onderzoek, bij de verandering van Sanchin kata met open-hand naar Sanchin kata met gesloten vuist. Iedere dag oefende een select groepje leerlingen herhaaldelijk de Sanchin kata in de dojo van meester Kanryo's huis. Vaak om technieken te versterken en te verbeteren, oefenden de leerlingen alleen de voetbewegingen van de kata met in hun handen de Nigiri-gamae (grijpkruiken). Terwijl de leerlingen zich door de dojo bewogen sloeg en klapte Kanryo op diverse lichaamdelen om zeker te zijn van een goede spierspanning en concentratie.
Door de jaren heen werd o.a. door dit soort harde trainingsoefeningen Kanryo's reputatie als zijnde een harde leermeester en uitmuntend in de vechtkunsten, meer en meer wijdverspreid over Naha. Op een dag gebeurde het dat een andere welbekende vechtkunstleraar Kojo genaamd, die dezelfde stijl bestudeerd had als Kanryo in China echter bij een andere leraar, beweerde dat zijn vechtkunst superieur aan die van Kanryo was. Dit gehoord hebbende begonnen de leerlingen van de twee leraren onderling te discussiëren en te bekvechten over welke kunst en welke leraar in feite de beste was. Dit bleef zo een tijdje doorgaan en om eindelijk dit reeds lang bestaande dispuut uit de wereld te helpen kwam men een wedstrijd in Sanchin kata overeen. Kanryo en de andere leraar Kojo zouden beiden de Sanchin kata uitvoeren. De kata van elk van hen zou bestudeerd worden en men zou zo tot een beslissing komen. Een beroemde doctor afkomstig van het vasteland van Japan werd verzocht om het geheel leiding te geven. Kanryo en Kojo voerden beiden de Sanchin kata uit voor de doctor. Deze bestudeerde beiden minutieus, testte de spierspanning en de algehele conditie. Bij zijn bestudering van de Sanchin kata van Kanryo zag hij dat de voeten stevig op de grond geplant waren met de tenen en voetzolen plat op de grond. Zijn gehele lichaam was aangetrokken en alle spieren aangespannen. Zijn testikels waren opgetrokken tot in het lichaam en zijn tanden was strak aangespannen . Bij zijn bestudering van de Sanchin kata van Kojo zag hij dat de spieren slechts in een vertikale richting gespannen waren en het resultaat hiervan waren onnauwkeurig aangespannen spieren. Hierna was het duidelijk dat de Sanchin kata van Kanryo van een veel hoger niveau en veruit superieur aan die van zijn uitdager was. Kojo accepteerde het resultaat minzaam en erkende de grotere vaardigheid van Kanryo.
Het resultaat van dit gebeuren dat heel wat had losgemaakt in de nauwverbonden gemeenschap van Naha, verspreidde zich over het hele eiland. Kanryo's reputatie die al wijd en zijd bekend was, werd nog groter. Het Okinawaanse volk begon zich te realiseren dat zijn werkelijke kundigheid overeenkwam met z'n reputatie en hij werd beroemd op geheel Okinawa. Tot op dat moment was "Te" zoals het toen bekend stond een geheime kunst die slechts aan enkele geselecteerde leerlingen werd onderwezen. Na 1905 echter, het jaar waarin Kanryo begon met lesgeven aan de Naha Commercial School, werd karate meer verbreid en toegankelijk voor de gehele bevolking.
Chojun Miyagi (zie foto rechts) werd in 1902 op 14-jarige leeftijd leerling van meester Kanryo. Hiervoor, op 12-jarige leeftijd, wenste zijn moeder dat hij sterk zou worden en goed voorbereid om de verantwoordelijkheid voor de familie op zich te kunnen nemen. Zij nam hem mee naar Aragaki Ryuko een welbekende vechtkunstenaar op Okinawa. Aragaki Ryuko's benadering was voornamelijk gericht op het vechten zelf. Hij onderwees niet echt de vechtkunsten als zodanig. Hij leerde de jonge Chojun Miyagi makiwara training en benadrukte de verschillende conditie oefeningen om het lichaam te versterken zoals het optillen van zware stenen en chi-ishi training.
Chojun Miyagi was een ongewoon geestdriftige leerling en vanwege zijn toewijding introduceerde Aragaki Ryuko (zie foto links) hem bij de vermaarde Kanryo. Chojun Miyagi was toen veertien jaar oud. Hij was een leerling aan wat hedentendage de Shuri High School genoemd word.
Voor de jonge Chojun Miyagi was dit het begin van serieuze training. Ondanks het feit dat hij nog zo jong was, wijdde Chojun Miyagi z'n hele leven aan karate. Iedere dag rende hij het lange stuk tussen zijn thuis in Naha en de school in Shuri. Na school ging hij naar het strand waar grote en zware stenen te vinden waren om mee te trainen. Omdat hij dagelijks zo hard trainde ging hij snel vooruit. De training in de dojo, en dan vooral de kata Sanchin onder leiding van zijn leraar Kanryo werd zwaarder en zwaarder terwijl de tijd verstreek. Desalniettemin was op dat moment van zijn leven karate het enige wat hij wilde doen. Hij dacht alleen aan karate en zelfs toen hij nog op school zat zag hij zijn toekomst alleen als karate. Karate was het belangrijkste in zijn leven geworden.
Meester Kanryo maakte diepe indruk op Chojun Miyagi, zelfs ná zijn vijftigste bezat Kanryo nog een ongelooflijke kracht en snelheid. Als hij bijvoorbeeld de laatste technieken in de Sesan kata voordeed, hoorde je het geluid van splijtend hout als hij met z'n voet op de vloer stampte. Op een keer droeg meester Kanryo, Chojun Miyagi op om onder de vloer te gaan kijken om hem de geruisloze kracht van zijn techniek duidelijk te maken. Chojun Miyagi zag dat een van de zware dwarsbalken die de vloer ondersteunde, gebroken was. Chojun Miyagi vertelde vaak aansprekende verhalen zoals dit over z'n leraars zware en niet voor te stellen training in China.
Chojun Miyagi was de meest begiftigde en toegewijde leerling in de dojo. Op 20-jarige leeftijd werd hij topleerling van meester Kanryo. Rond dezelfde tijd trouwde hij. Op 22-jarige leeftijd vertrok hij naar het vasteland van Japan om zijn dienstplicht te vervullen. Volgens Seibun Nakamto Sensei sprak Kanryo constant met tederheid over z'n topleerling gedurende diens afwezigheid.
Na twee jaar militaire dienst kwam Chojun Miyagi terug naar Okinawa. Hij was er op gespitst om weer met trainen te beginnen en hij nodigde meester Kanryo uit hem thuis te onderrichten. Drie jaar lang, na zijn terugkomst uit Japan, gaf Kanryo hem privé les. Als meester Kanryo les gaf aan groepen in zijn huis, liet hij Chojun Miyagi nablijven om nog met hem verder te trainen. Het was gedurende deze tijd dat hij zijn leerling de technieken van het hoogste niveau onderwees. Naast het onderwijzen van lege-hand-vormen van de vechtkunsten onderwees Kanryo Chojun Miyagi ook in wapens.
Voordat Chojun Miyagi vertrok voor zijn dienstplicht was meester Kanryo begonnen hem bo-jutsu te leren om hem voor te bereiden op ju-ken oftewel bajonetvechten wat in het leger beoefend werd. Meester Kanryo's vaardigheid met de bo was van een zeer hoog niveau. Er wordt gezegd dat als hij zijn bo wierp in een grote lege pot, die pot in plaats van in stukken te breken slechts doorboord werd dankzij de snelheid en gerichtheid van de worp. Het was gedurende deze periode dat Chojun Miyagi zich begon te realiseren hoe uitgebreid zijn leraar's studie in China was geweest.
Er waren toendertijd in Naha vele vechtkunstenaars maar geen van allen kon de vaardigheid en kundigheid van meester Kanryo evenaren. Hij was werkelijk een klasse apart. Zijn bekendheid was zo groot dat toen de politie geconfronteerd werd met een gevaarlijk met een mes zwaaiende man, zij hem riepen om de zaak aan te pakken. Volgens de omstanders waren zijn bewegingen zo snel als een weerlicht.
Meester Kanryo werd synoniem aan Naha-te. Als Naha-te genoemd werd dachten de mensen altijd aan hem. Hij is degene die ervoor verantwoordelijk was dat Naha-te naar voren kwam als een vechtkunst op Okinawa. Kanryo Higaonna was in alle opzichten een groot meester, hij overleed in 1915. Zijn topleerling Chojun Miyagi (26 jaar) vond dat zijn niveau nog ver onder dat van zijn leraar lag. Hij had van zijn leraar veel over China gehoord en verlangend om zichzelf te verbeteren en meer kennis op te doen, plande hij een reis naar China om in zijn leraar's voetsporen te treden.
Bij de voorbereidingen voor zijn reis ontmoette Chojun Miyagi Eizo Nakamoto, deze had aan het Fuzhou College te Fuzhou Engels onderwezen en was juist teruggekeerd naar Naha. Hij introduceerde Chójun Miyagi bij een vriend van hem die in Fuzhou woonde. Bij aankomst in China, nam deze vriend Chojun mee voor een ontmoeting met een oud-leerling van de legendarische meester Ryu-Ryu Ko. Na de gebruikelijke begroetingsrituelen, liep Chojun de kata's die hij van meester Kanryo geleerd had voor de oude man. Hij demonstreerde alle kata's van Saifa tot Suparinpei. Echter hij vergat de kata Sanseru, vermoedelijk omdat dit z'n minst favoriete kata was. De oude man complimenteerde hem met zijn kata's maar merkte tevens op dat hij er een had gemist. Dit was de kata Sanseru en de oude man demonstreerde deze voor Chojun Miyagi.
In China bezocht Chojun Miyagi ook het graf van meester Ryu Ryu Ko om van zijn respect voor hem te getuigen. Tevens bezocht hij de tempel waar Ryu Ryu Ko de krijgskunsten bestudeerd had. Deze tempel lag hoog op de berg, in nevelen gehuld. Op de binnenplaats waar de krijgskunsten beoefend werden zag hij vele ingesleten voetafdrukken in de verharde grond en er lag een verscheidenheid aan traditioneel trainingsmateriaal. Meester Chojun Miyagi verbleef die keer twee maanden in Fuzhou, hij bestudeerde de krijgskunsten en verrichtte zelf onderzoek. De tweede keer dat Chojun Miyagi naar China ging was ergens tussen 1920 en 1930. Hij werd vergezeld door een Chinese theehandelaar, de heer Kogenki, een goede vriend die zich bekwaamd had in de Witte Kraanvogelstijl van de Chinese krijgskunsten. Helaas waren op dat moment de betrekkingen tussen China en Japan verre van goed. Chojun Miyagi had hierdoor maar weinig succes met zijn onderzoekingen.
In 1936 ging hij voor de derde keer naar China. Ditmaal ging hij alleen. Hij nam een boot van Kyushu (het vaste land van Japan) naar Shanghai, waar hij een ontmoeting geregeld had met de Shanghai Martial Arts Federation. Deze tocht was veel vruchtbaarder dan de beide vorige, en hij legde goede contacten met de Chinese krijgskunstenaars die hij daar ontmoette.
Reeds twee jaar daarvoor, in 1934, was hij op uitnodiging van een Hawaiaans krantenconcern naar Hawaii gereisd. Zijn voornaamste doel was het onderrichten van de vele Okinawanen die daar werkten. Hij verbleef elf maanden lang op Hawaii en gedurende deze tijd probeerde hij het Goju-Ryu karate daar te verbreiden. In 1933 dankzij de inspanningen van Chojun Miyagi karate erkend als een Japanse krijgskunst door de Butokukai. De Butokukai zetelde in Kioto en was het centrale punt voor alle Japanse krijgskunsten, hierdoor was het de machtigste en invloedrijkste groep in het land. Rond deze tijd werd ook de naam Goju-Ryu karate-do officieel bij hen geregistreerd.
Het daaropvolgende jaar, 1934, werd Chojun Miyagi benoemd tot afgevaardigde voor de Dai Nippon Butokukai voor Okinawa. Na zijn benoeming ging hij verder met zijn pogingen het karate te propaganderen en te popularizeren. In 1937 werd hem tezamen met drie anderen de eretitel 'Kyoshi Ko' verleend door de Butokukai. Het was voor het eerst dat een karate afgevaardigde deze titel kreeg.
De naam Goju-Ryu was meer toeval dan opzet. Op 5 mei 1930 werd het Japanse krijgskunstfestival gehouden op het Meiji altaar te Tokio. Chojun Miyagi stuurde zijn topleerling Jinan Shinzato om er een demonstratie te geven. Na deze demonstratie vroeg een leraar in Japans kobudo hem tot welke karatestijl hij behoorde. Jinan Shinzato wist niet wat hij hierop zeggen moest aangezien men op Okinawa niet gewend was om stijlen te benamen zoals dat op het vasteland van Japan gebruikelijk was. Shinzato Sensei vertelde na terugkomst op Okinawa Chojun Miyagi over dit voorval. Chojun Miyagi besloot na alles in overweging te hebben genomen de stijl een naam te geven om zo haar erkenning als Japanse krijgskunst te verkrijgen en de toekomstige ontwikkeling ervan te bevorderen.
Hij koos de naam Go-Ju Ryu, een naam uit een gedicht uit de Bubishi. De Bubishi is een enorme Chinese tekst die een scala aan onderwerpen behandeld, waaronder de krijgskunsten. Dit gedicht bevat acht voorschriften voor de beoefening van de krijgskunsten. Het voorschrift waar Chojun Miyagi de naam aan ontleende was "Houwa Goju Wo Donto Su", inademing is zacht, uitademing is hard. De meeste krijgskunstenaars op Okinawa en Japan kennen dit verhaal, aangezien dit de eerste officiële naamgeving was van een karatestijl.

Ondanks het feit dat Chojun Miyagi zijn stijl een naam gaf, refereerde hij er nooit aan als hij onderricht gaf of als hij over karate sprak. Hij gebruikte simpelweg de term " Ti" het woord dat Okinawanen gebruiken om vechtkunsten te omschrijven of " Bu" wat krijgskunst betekent. Er bevind zich geen naambord aan de buitenkant van zijn dojo zoals gebruikelijk was op het vasteland van Japan. Toch vertelde hij zijn leerlingen dat als zij naar hun stijl gevraagd werden, ze Goju-Ryu moesten antwoorden. Ook na de Tweede Wereldoorlog hing hij geen naambord op.
De naam werd in de Butokukai geregistreerd als Goju-Ryu karate-do. Het woord 'karate' wordt met twee Chinese karakters geschreven. Het eerste karakter 'To' betekende vroeger 'Chinees' en betekent hedentendage 'leeg'. In Goju~Ryu karate-do wordt de betekenis 'Chinees' aangehouden. De latere betekenis 'leeg' wordt gebruikt in Shotokan-Ryu, Shito-Ryu en Wado-Ryu karate-do.
Op Okinawa wilden de oudere meesters hun kunst onder de aandacht brengen en officiële erkenning verkrijgen als een bonafide krijgskunstdiscipline. Om dit te bereiken werd in 1925 de "Okinawa Karate Kenkyu Kai" opgericht. Er werd speciaal hiervoor een nieuw gebouw opgetrokken in het Walaso-cho gebied van een district te Naha. Chojun Miyagi werd benoemd tot hoofdinstructeur en andere welbekende Okinawaanse meesters werden er bij betrokken. Meesters als Chomo Hanashiri, Choyu Motosu en Kenwa Mabuni onderwezen allen daar. Door middel van deze vereniging werkten welbekende karatemeesters aan de verspreiding en popularizering van het karate. Helaas moest de Kenkyu Kai in 1929 sluiten aangezien er niet genoeg fondsen voor de instandhouding ervan bij elkaar gebracht konden worden.
Begin jaren '20 formuleerde en ontwikkelde Chojun Miyagi Junbi Undo oftewel warming-up oefeningen, die uniek zijn voor het Goju-Ryu. Na zorgvuldig onderzoek en met behulp van een bevriend arts ontwikkelde hij deze oefeningen gebaseerd op medische en wetenschappelijke principes. Tezelfdertijd begon hij ook net les te geven op scholen. Hij ontwikkelde in deze periode ook de kata Tensho vanuit de kata Rokkishu uit de Chinese krijgskunsten.
Jihan Shinzato was voor de Tweede Wereldoorlog Chojun Miyagi's topleerling. Shinzato Sensei was een rechercheur bij de politie. Hij was buitengewoon toegewijd aan het karate en hij beoefende ook Judo. Shinzato Sensei trainde hard onder Chojun Miyagi en hij verrichtte zelf ook onderzoek in de krijgskunsten. Hij maakte zelfs zijn eigen kata. Zijn favoriete technieken waren naga-waza, werptechnieken en ne-waza, grondtechnieken. Shinzato Sensei was buitengewoon begiftigd en het was alom bekend dat hij Chojun Miyagi's opvolger zou worden om Goju-Ryu verder uit te dragen. Helaas werd hij tijdens de tweede wereldoorlog gedood. Buiten Shinzato verloor Chojun Miyagi ook nog twee dochters en zijn derde zoon tijdens de oorlog. Na de oorlog gaf Chojun Miyagi les aan de politie academie en toen deze in 1947 verhuisde naar Naha, verhuisde Chojun Miyagi ook. Hij vond een huis in het district Tsuboya-cho.
Anichi Miyagi was één van de nieuwe leerlingen die Chojun Miyagi in 1948 aan nam. In februari van dat jaar kwamen er vier leerlingen in zijn dojo. Dit waren Anichi Miyagi ( 17 jr.), Bise Chishin, Gima Seikichi en Tokeshi Kako. Gedurende het eerste jaar trainden ze allen ondanks de zware training enthousiast. Echter na een jaar stopten er drie van de vier. Alleen Anichi Miyagi(zie foto) bleef over. Tot 1951 was hij Chojun Miyagi's enige leerling. De training was erg intensief, ze oefenden 's morgens, 's middags en 's avonds, wanneer ook maar een van beiden tijd had.
De vrouw van Chojun Miyagi zorgde voor hun zwangere dochter die op enige afstand van Naha woonde. Zijn vrouw kwam slechts eens per week langs om voor Chojun Miyagi te zorgen. Gedurende deze tijd hielp Anichi Miyagi zijn leraar wanneer hij maar kon. Hij vervulde allerhande huishoudelijke klusjes; hield het huis en de tuin schoon, zette thee, haalde water bij de bron enz.
Ook vergezelde hij zijn leraar als deze uit ging. Vaak gingen ze samen naar het theater. Gedurende deze tijd ontstond er een nauwe band tussen beiden. Chojun Miyagi behandelde Anichi als zijn eigen zoon. Anichi trainde hard en was een toegewijde leerling. Chojun Miyagi vertrouwde hem onvoorwaardelijk. Hij vertelde de jonge Anichi dat hij gedacht had dat Anichi de eerste van de vier die in 1948 begonnen waren zou zijn die het zou opgeven, hij was de tengerste en minst sterke van allen.
Omdat Anichi ijverig en toegewijd was en omdat hij zijn enige leerling was, instrueerde Chojun Miyagi hem tot in de kleinste details en in alle aspecten van het Goju-Ryu karate. Shinzato, Chojun Miyagi's topleerling van voor de oorlog, was gestorven. De andere senior leerlingen Seiko Kina, Meitoku Yagi, Kiei Temyose, Shunshin Furugen, Eiko Miyazato en Eiichi Miyazato(zie foto), trainden niet na de oorlog, aangezien ze druk bezig waren een bestaan op te bouwen in deze moeilijke tijd.
Daarom onderwees Chojun Miyagi, die zich realiseerde dat hij een dagje ouder werd, de essentie van het Goju-Ryu aan Anichi Miyagi. Hij leerde Anichi alles wat hij wist om zo deze kennis in z'n geheel te behouden voor het nageslacht. Chojun Miyagi onderwees Anichi met heel z'n hart, het kostte hem meer energie om alleen Anichi in zijn dojo te onderrichten dan een grote groep op de politie academie. Tijdens de Amerikaanse bombardementen op Okinawa in de Tweede Wereldoorlog evacueerde Chojun Miyagi zijn familie.
Hij vertelde Anichi vaak dat bij gedurende deze moeilijke tijd vastbesloten was niet gedood te worden omdat hij nog steeds de verantwoordelijkheid had om het Goju-Ryu karate door te geven aan het nageslacht. Deze verhalen inspireerden Anichi om nog harder te trainen. En Chojun Miyagi was vastbesloten om naar zijn beste kunnen zijn leerling te onderrichten.
Van februari 1948 tot oktober 1953 leerde Chojun Miyagi Anichi alles, hij leerde hem de essentie van Goju-Ryu, en alles wat hij onderzocht had en opgeslagen had tijdens zijn vele jaren van training. Hierdoor bezit Anichi Miyagi grote vaardigheden en kennis. Volgens Higaonna Sensei zijn de hand- en lichaamsbewegingen van zijn leraar Anichi Miyagi niet met woorden te beschrijven. Ze zijn van zo'n kwaliteit dat je ze zelf moet zien. Gedurende deze jaren van harde training vertelde Chojun Miyagi Anichi dat zelfs Jiru, de naam die Chojun Miyagi aan Jinan Shinzato gaf, niet zo gedetailleerd en compleet onderwezen was door hem. Tijdens kata training corrigeerde Chojun Miyagi Anichi met zijn handen, hem in de juiste positie brengend. Hij demonstreerde de juiste manier van bewegen en vroeg Anichi zijn lichaam en spieren te voelen, opdat hij het juiste gevoel voor elke afzonderlijke techniek zou verkrijgen. Anichi kreeg de opdracht voortdurend ijverig en met heel zijn hart te oefenen zodat hij de essentie van het Goju-Ryu nooit zou vergeten.
Chojun Miyagi vertelde de jonge Anichi dat na zijn dood EIICHI MIYAZATO (zie foto) de volgende zou zijn om het Goju-Ryu verder uit te dragen. Anichi moest hem hierbij helpen. Hij vertelde Anichi dat Eiichi Miyazato nu Judo beoefende om aan wedstrijden mee te kunnen doen. Zodra hij de eerste plaats bereikt zou hebben zou hij weer verder gaan met karate. Chojun Miyagi was een ontwikkeld man en hield van vertellen. Hij kon uren lang praten met de jonge Anichi over van alles en nog wat. Vaak begon hij 's avonds na de training tegen tien á elf uur te praten tot vroeg in de ochtend, de tijd vergetend. Chojun Miyagi was een begenadigd en onderhoudend spreker, hij sprak met humor en flair en men luisterde bijzonder graag naar hem. De onderwerpen van gesprek waren geenszins beperkt tot karate. Natuurlijk praatte hij over karate technieken en geschiedenis maar buiten dit sprak hij over een heel scala van onderwerpen variërend van hoe te leven tot wetenschappelijke onderwerpen. Chojun Miyagi's trainingen waren zwaar maar hij gaf erg veel om zijn leerlingen.
Na hun discussies placht hij Anichi op te dragen eerst naar het toilet te gaan omdat hij veel thee gedronken had, alvorens naar huis te gaan. Hij droeg hem op altijd de veiligste weg naar huis te nemen en plaatsen waar men dronkaards of schelmen tegen kon komen te vermijden. Op deze manier toonde Chojun Miyagi zijn diepe bezorgdheid voor het welzijn van zijn leerlingen in hun dagelijkse leven. De volgende anekdote is hier een voorbeeld van.
Toen Anichi jong was, was hij een fervente lange-afstand loper en hij liep lange stukken achter elkaar. Na zo'n afstand blesseerde hij eens zijn rug en hierdoor kon hij enkele dagen niet gaan trainen. Chojun maakte zich zorgen en ging naar zijn huis om er achter te komen waarom Anichi niet was komen trainen. Daar aangekomen vroeg hij naar de reden. Anichi vertelde hem dat hij zijn rug geblesseerd had. Chojun Miyagi haalde er onmiddellijk een acupuncturist bij, een goede vriend van hem. Door zijn behandeling knapte Anichi snel weer op. Zo vriendelijk, attent en zorgzaam was Chojun Miyagi.
Anichi herinnert zich de dagelijks omgang tussen Chojun Miyagi en zijn vrouw. Hij was diep onder de indruk van de zorgzaamheid en consideratie die zij elkaar en anderen betoonden. Het wad typerend voor de manier waarop Chojun Miyagi gedurende zijn hele leven leefde. Zijn familie en zijn leerlingen behandelde hij ook met liefde en respect. Op zijn beurt was Chojun Miyagi zeer geliefd en alom gerespecteerd.
Twee jaar lang was Anichi de enige leerling( ca. 5 jaar les gehad) van Chojun Miyagi. In 1951 nam meester Miyagi nieuwe leerlingen aan. De eerste hiervan was Shuichi Aragaki en na hem volgden er geleidelijk aan meer. Deze leerlingen kregen gewoonlijk les van Anichi. In 1952 begon het dojo ledental echt te groeien.
Op 8 oktober 1953 stierf meester Chojun Miyagi plotseling aan een hartaanval. Dit was een grote schok voor de karatewereld en voor het Okinawaanse volk. Nog daags ervoor had Chojun Anichi onderwezen en deze kon niet geloven dat zijn leraar nu dood was. Na meester Miyagi's dood ging de verantwoordelijkheid voor de dojo naar Eiichi Miyazato. Anichi assisteerde op technisch gebied en was verantwoordelijk voor het merendeel van de instructie. De training ging zoals tevoren door in de tuindojo van Chojun Miyagi's huis. Meestal gaf Anichi les en door zijn instructie kwamen drie speciale leerlingen naar voren: Yasuo Iba, Anya Sauchi en Saburo Higa. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog begon de Goju-Ryu dojo op te bloeien en kon ze aanspraak maken op veel sterke leerlingen.
Morio Higaonna trad rond deze tijd (1954) toe tot de dojo van wijlen Chojun Miyagi. Daarvoor had Higaonna Sensei Goju-Ryu en Shorin-Ryu getraind bij Tsunetaka Shimabukuru, Kenji Kaneshiro en Yoshishige Omine. Op voorspraak van Tsunetaka Shimabukuru trad Higaonna Sensei in maart 1955 officieel toe tot de dojo. Bij zijn eerste bezoek aan de dojo ontmoette hij Yasuo Iba Sensei. Iba Sensei vertelde de jonge Higaonna dat hij naar Anichi Miyagi Sensei moest gaan aangezien deze de meest bekende van de dojo was.Hoewel Higaonna Sensei al twee jaar karate beoefende, wilde hij van voren af aan beginnen. Hij had Junbi Undo getraind en was gedrild in de Gekisai kata en de Sanchin kata. Hij herinnert zich eindeloos Kakie geoefend te hebben en zijn lichaam was getraind door Hojo Undo oefeningen als Nigiri kamae en Makiwara.
In het begin was de training onder meester Anichi Miyagi vrij rustig, echter, toen Higaonna Sensei vooruitging en vooral toen hij begon met de beoefening van de kata Sanchin, werd de training erg zwaar. Higaonna Sensei herinnert zich dat de eerste tien jaar die hij onder Anichi Miyagi trainde, het ontwikkelen van snelheid en kracht inhielden en het voortdurend herhalen van kata. Hij kreeg pas later gedetailleerde instructie.
Als men terugkijkt in de geschiedenis begint GOJU-RYU bij meester Ryu Ryu Ko te Fuzou in Zuid-China. Van daar uit werd het doorgegeven aan de grootse Okinawaanse krijgskunstenaar Kanryu Higaonna. Meester Kanryo Higaonna bracht het Goju-Ryu naar Okinawa, waar het een Okinawaanse kunst werd en hij gaf zijn kunst door aan meester Chojun Miyagi. Door Chojun Miyagi werd het bekend als Goju-Ryu karate-do. De bedoeling was dat het doorgegeven zou worden aan meester Jinan Shinzato. Deze kwam echter tragisch genoeg om tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de Tweede Wereldoorlog gaf Chojun Miyagi, zijn kunst door aan zijn meest ijverige leerling, meester Anichi Miyagi. Hij leerde hem alles tot in de kleinste details, het hoogste niveau (Okuden) van de technieken inclusief de Hiden, oftewel de geheime technieken. Het karate van Anichi Miyagi is schitterend om te zien, zijn vaardigheid heeft werkelijk het niveau van een kunst bereikt. Dit is het resultaat van zes jaar privé onderricht van Chojun Miyagi.
In augustus 1957 bouwde Eiichi Miyazato een grote dojo in het Asato district van Naha, die hij de naam Jundokan -de naam van Jigoro Kano's eerste judo-dojo- gaf. Miyazato, die na de oorlog ook druk bezig was met judo, werd rond 1950-51 judo kampioen en ging zelfs in april 1953 naar Japan om het Japan Kodokan seminar bij te wonen. Uiteindelijk werd Miyazato een vooraanstaand judo meester en eveneens voorzitter van de Okinawa Judo Federatie . Vanwege zijn autoriteit en positie als politie inspecteur kreeg Miyazato officieel de leiding van de dojo, Koshin Iha was zijn assistent en verantwoordelijk voor de lesgelden. Zij gaven echter zelden les en lieten de dagelijkse lesgeef verantwoordelijkheid over aan An'ichi Miyagi. Het was An'ichi Miyagi die bijvoorbeeld Iha suparinpei kata onderwees.
In 1959 vertrok An'ichi Miyagi uit Okinawa om op een olietanker van Amerikaanse eigenaars te gaan werken. Werk vinden op Okinawa was erg moeilijk in die tijd en An'ichi droeg nog steeds de verantwoordelijkheid om zijn familie te ondersteunen. Een jaar later besloot Morio Higaonna naar Tokyo op het vasteland van Japan te gaan om de Takushoku Universeit te bezoeken. Gedurende zijn studie kon hij slechts tweemaal per jaar -iedere winter een maand en iedere zomer twee tot drie maanden- naar Okinawa terug gaan. Bij deze gelegenheden vervolgde hij zijn training en verdere ontwikkeling bij An'ichi Miyagi. De Okinawa Karate-do Renmei was in mei 1956 opgericht met Choshin Chibana -de grondlegger van Shorin-Ryu- als eerste voorzitter. Op 30 december 1960 hield deze potentieel krachtige organisatie haar eerste dan examens alle stijlen. Shoshin Nagamine van Matsubayashi Shorin-Ryu was toen de voorzitter. De top-instructeurs van iedere stijl werden gegradueerd tot godan, vijfentwintig karate-ka werden gegradueerd tot sandan (onder hen Morio Higaonna); drieentwintig werden gegradueerd tot nidan; en veertig werden gegradueerd tot shodan.
Morio Higaonna gaf twintig jaar les in een dojo in Yoyogi, een buitenwijk van Tokyo. Gedurende die twintig jaar bouwde hij de dojo uit tot een die wereldwijd bekendheid genoot, met als resultaat dat mensen met een verscheidenheid aan gevechtskunst achtergronden kwamen om bij hem te trainen. Higaonna introduceerde ook zijn leraar An'ichi Miyagi in Tokyo. Gedurende deze jaren onderwees An'ichi Miyagi zijn leerling, Morio Higaonna, in de geheime en de hoogste technieken van Goju-Ryu.
In 1979 werd, met behulp van de familie van Chojun Miyagi, Ken Miyagi -de vierde zoon van de oprichter van Goju-Ryu-, en veel van Chojun Miyagi's senior leerlingen, de International Okinawan Goju-Ryu Karate-Do Federation (IOGKF) opgericht.
Met als doel de oorspronkelijke Goju-Ryu technieken onveranderd te bewaren en de technische ontwikkeling als ook de populariteit te bevorderen, overeenkomstig de wens van Chojun Miyagi. An'ichi Miyagi werd benoemd tot ere-voorzitter; Morio Higaonna werd benoemd tot wereld chief-instructor.
In 1981 verhuisde Higaonna naar Okinawa om meer onderzoek te doen en opende een dojo in Naha (Higaonna dojo). Hier werd hij uitgekozen door Howard Reid en Michael Croucher -documentaire makers van de BBC- om traditioneel karate te vertegenwoordigen in de serie "The Way of the Warrior".
In 1987 ging Higaonna naar de Verenigde Staten om het Goju-Ryu te promoten. Sinds 1987 bezocht hij Fuzhou bij vele malen om zijn kennis omtrent de Chinese 'roots' van Goju-Ryu te vergroten. Door deze bezoeken werd er een nauwe band gesmeed tussen de IOGKF en de China Fuzhou Wushu Association (CFWA).
Vandaag de dag heeft de IOGKF een enorme aanhang over de gehele wereld; tienduizenden leerlingen in zo'n vijfenveertig landen.